Basisbegrippen van de meetkunde
Een lijst met basisbegrippen uit de meetkunde die we in andere artikelen als bekend veronderstellen.
Lijst
-
Een punt is het meest basale begrip in de meetkunde. Het is een figuur zonder afmetingen, waarmee we meestal andere figuren definiëren. In het vlak kunnen we zeggen dat een punt een paar getallen is dat de coördinaten van dat punt voorstelt. In de ruimte hebben we drie coördinaten nodig, dus dan gaat het om een drietal. Een punt schrijven we meestal met ronde haakjes, zo: (1, 4), en we geven het een naam met één hoofdletter, bijvoorbeeld punt B. Een punt tekenen we meestal als een kruisje of een gevulde stip.
-
Een lijnstuk wordt bepaald door twee eindpunten die met een rechte lijn zijn verbonden. We noemen een lijnstuk naar zijn eindpunten, dus we spreken van lijnstuk AB als het eindpunten A en B heeft. Bij een lijnstuk kunnen we de lengte meten, en dat is de afstand tussen de eindpunten. Als we het over de lengte van lijnstuk AB hebben, schrijven we dat met verticale streepjes: |AB|. In de volgende afbeelding staan drie verschillende lijnstukken: AB, CD en EF. We kunnen zeggen dat de lengte van lijnstuk AB gelijk is aan drie, oftewel |AB| = 3.