Looptempo – rekenmachine
Hardlopers praten niet over snelheid maar over tempo: hoeveel minuten en seconden ze over één kilometer doen. Een tempo van 5:30 betekent dat je elke kilometer in 5 minuten en 30 seconden loopt. Je horloge toont het meteen, maar de loopband in de sportschool wil een snelheid in km/h en jij wilt weten of je de 10 km onder het uur haalt.
Van snelheid naar tempo
Op de loopband stel je een snelheid in en wil je weten bij welk tempo die hoort.
Hoe de berekening werkt
Tempo is de omgekeerde snelheid. Een uur heeft 3600 seconden, dus als een kilometer p seconden duurt, loop je met een snelheid van
en een afstand van d kilometer loop je in d · p seconden.
Een tempo van 5:30 is 5 · 60 + 30 = 330 seconden per kilometer. De snelheid is
Op de 5 km ben je 5 · 330 = 1650 seconden bezig, dus 27 minuten en 30 seconden, en de 10 km loop je in precies 55 minuten. Een halve marathon is 21,0975 km:
De hele uren zijn 6962:3600, dus 1 met een rest van 3362 seconden. Uit de rest halen we de hele minuten, 3362:60 is 56 en er blijven 2 seconden over. Een halve marathon duurt dus 1 uur 56 min 2 s en een marathon twee keer zoveel, 3 uur 52 min 4 s.
De berekende tijden gelden als je het tempo de hele afstand volhoudt. Bij een marathon lukt dat maar weinigen, dus zie de berekende tijd eerder als een doel dan als een zekerheid.
Uit de snelheid krijg je het tempo andersom. Een kilometer duurt 3600:v seconden, bij 12 km/h dus 3600:12 = 300 seconden, oftewel 5 minuten per kilometer.
Gaat het niet om hardlopen maar bijvoorbeeld om een autorit, gebruik dan de rekenmachine voor snelheid, tijd en afstand.
Hoofdstukken: Snelheid, tijd en afstand – rekenmachine, Looptempo – rekenmachine, Brandstofverbruik van een auto – rekenmachine, Kosten van een autorit – rekenmachine, Oplossingen verdunnen en mengen – rekenmachine