Goniometrische ongelijkheden
Een goniometrische ongelijkheid lijkt op een goniometrische vergelijking, alleen staat er in plaats van het gelijkteken <, >, ≤ of ≥. Neem bijvoorbeeld deze:
We zoeken alle x waarvoor de sinus groter is dan een half. Een deel van het werk hebben we al gedaan. De vergelijking
Op de eenheidscirkel
Het gemakkelijkst zien we het op de eenheidscirkel. De sinus van een hoek is de y-coördinaat van een punt op de cirkel, dus de ongelijkheid
De blauwe lijn snijdt de cirkel in twee punten, die overeenkomen met de hoeken
De eindpunten horen niet bij de oplossing, daarom staan er op de figuur open bolletjes. Daar is de sinus precies gelijk aan
Maar de sinus is een periodieke functie met periode 2π: na elke hele omwenteling herhaalt alles zich. Daarom tellen we bij beide uiteinden 2kπ op en krijgen we de oplossing
waarbij k ∈ ℤ. Voor k = 0 is het de boog van de figuur, voor k = 1 dezelfde boog een omwenteling opgeschoven, dus het interval
Voor de zekerheid controleren we het. We proberen
Een interval over nul heen
We gaan naar de cosinus:
De cosinus is de x-coördinaat van een punt op de cirkel, dus we zoeken de punten rechts van de verticale lijn die de horizontale as in het punt
En hier is de verleiding groot om op te schrijven
Pas op. Het linkeruiteinde van een interval moet kleiner zijn dan het rechter, maar
De oplossing is eenvoudig. In plaats van
De hoek
waarbij k ∈ ℤ. Goed te zien is het ook op de grafiek van de cosinus:
Het rode stuk rond nul komt precies overeen met het interval voor k = 0. Het stuk rechts, dat begint in
Tangens
Het laatste voorbeeld:
De tangens is gelijk aan één voor
Hier worden meestal twee fouten gemaakt. De eerste zit in de periode. De tangens herhaalt zich niet na 2π zoals de sinus, maar al na π. Wie uit gewoonte 2kπ optelt, mist de helft van de oplossingen, bijvoorbeeld
De tweede ligt op de loer bij het rechteruiteinde. Het linkeruiteinde
Goed komt er dus uit
waarbij k ∈ ℤ. Ter controle vullen we