Exponentiële en logaritmische ongelijkheden
Een exponentiële ongelijkheid is een exponentiële vergelijking waarin in plaats van het gelijkteken een ongelijkheidsteken staat. Bijvoorbeeld deze:
De werkwijze begint hetzelfde als bij een vergelijking. De acht schrijven we als een macht van twee:
Bij de vergelijking 2x = 23 zouden we nu de exponenten vergelijken en zouden we x = 3 krijgen. Waarom mogen we dat? De functie 2x is strikt stijgend: hoe groter de exponent, hoe groter de macht. Ze neemt dus geen enkele waarde twee keer aan en twee machten van twee zijn alleen gelijk als ze dezelfde exponent hebben. Dezelfde redenering helpt ons ook bij de ongelijkheid, alleen moeten we er ook nog bij bepalen in welke richting. Twee tot een of andere macht is groter dan twee tot de derde precies als die exponent groter is dan drie:
De oplossing is het interval ⟨3, → ⟩. Dat klopt: 24 = 16 is meer dan acht, maar 22 = 4 niet. Op de figuur is het dat deel van de x-as waarboven de rode grafiek hoger ligt dan de groene lijn.
Anders gaat het bij een ongelijkheid met een grondtal kleiner dan één, bijvoorbeeld
Boven de lijn y = 8 komt hij alleen links van −3, dus de ongelijkheid
- grondtal groter dan één: de functie is stijgend en het ongelijkheidsteken blijft,
- grondtal tussen nul en één: de functie is dalend en het ongelijkheidsteken draait om.
Grondtal kleiner dan één
We gaan aan de slag met de ongelijkheid
De negen moeten we schrijven als een macht van een derde. Een derde tot de macht min één geeft drie, een derde tot de macht min twee geeft negen:
De grondtallen zijn gelijk, maar het grondtal
De oplossing is het interval ⟨ ← , −2]. We controleren met x = −3:
De meest gemaakte fout bij deze voorbeelden luidt: ik heb het teken niet omgedraaid. Wie x ≥ −2 opschrijft, laat bijvoorbeeld ook nul toe. Maar
Als je moeite hebt met breuken in het grondtal, kun je
Als er geen gelijk grondtal te vinden is
In de ongelijkheid 3x < 5 kunnen we de vijf niet als een macht van drie met een gehele exponent schrijven. We redden ons net als bij vergelijkingen: we nemen aan beide kanten de logaritme, nu met grondtal drie. Die is stijgend, het teken verandert dus niet: {}3log 3x < {}3log 5, dus x < {}3log 5. Het resultaat laten we gerust zo staan. Waar het getal ongeveer ligt, verraadt de ongelijkheid 3 < 5 < 9: dus {}3log 5 ligt tussen {}3log 3 = 1 en {}3log 9 = 2.
Logaritmische ongelijkheden
Voor logaritmische ongelijkheden geldt dezelfde regel over het grondtal en er komt één voorwaarde bij, die we kennen van logaritmische vergelijkingen: het argument van de logaritme moet positief zijn. We proberen het met de ongelijkheid
Eerst de voorwaarde: x − 1>0, dus x>1. Dan schrijven we de drie als een logaritme met grondtal twee, want 23 = 8:
Het grondtal twee is groter dan één, de logaritme is stijgend en het teken blijft:
Tot slot combineren we de oplossing met de voorwaarde. Er moet gelden x>1 en tegelijk x<9, dus de oplossing is het interval ⟨1, 9⟩. Ter controle nemen we x = 5: {}2log 4 = 2, en dat is inderdaad minder dan drie.
Op de figuur is de oplossing te zien: de rode grafiek ligt onder de groene lijn voor alle x van één tot negen. Links van de één is er helemaal geen grafiek, omdat de logaritme daar niet bestaat. Dat is de voorwaarde x>1.
Hier maak je een andere fout dan bij exponentiële ongelijkheden. Wie de voorwaarde vergeet, schrijft de oplossing x<9 op. Daar hoort dan ook nul bij en {}2log(0 − 1) = {}2log(−1) bestaat niet. Bij een vergelijking zou een vergeten voorwaarde door de controle aan het licht komen, maar bij een ongelijkheid komen er oneindig veel getallen uit en die kun je niet allemaal invullen. De voorwaarde schrijven we daarom altijd meteen aan het begin op.
In het laatste voorbeeld komen beide valkuilen samen:
De voorwaarde is x>0. De twee schrijven we als een logaritme met grondtal een half, want
Het grondtal is kleiner dan één, het teken draait dus voor de tweede keer om:
Met de voorwaarde x>0 krijgen we de oplossing